Home Suriname Suiker, bauxiet, goud, olie, armoede

Suiker, bauxiet, goud, olie, armoede

28
0
suiker,-bauxiet,-goud,-olie,-armoede

foto


Suriname heeft sinds zijn bestaan slechts één grote bloeitijd gekend, dat was de plantage-economie in de 18e eeuw, vooral vanwege het winstgevende exportproduct suiker. Daarna werd het met wat ups en downs en veel dieptepunten nooit meer beter.

Suriname komt in de geschiedenis na Columbus. De ontdekkingsreiziger vergiste zich en noemde het nieuwe continent India en het handjevol lichtgekleurde mooie mensen dat hij aantrof, indianen. Nu zou hij in het Guyana-gebied echt mensen uit India hebben aangetroffen en zelfs twee presidenten met Indiase wortels.

De witte kolonisten waren de eerste Surinamers. Gedreven door hebzucht vestigden deze immigranten zich na een oversteek van zes weken over water op de vette, vruchtbare grond aan de Gravenstraat. Ze kwamen overal hout tegen, werden overdag geroosterd door de zon en ’s avonds gebeten door rode mieren en bloedzuigende mampieren. Maar ze kwamen niet voor plezier, maar voor het snelle fortuin. En ze namen hun grond-, weg- en waterbouwkundige kennis mee. De eerste creolen waren ook wit, het waren de kinderen van de kolonisten die in de kolonie waren geboren.

De plantage-economie bloeide met de hulp van slaven, die als vee op de markt werden verkocht nadat ze op boasi waren onderzocht. De verschrikkingen van de slavernij waren zweep, brandijzer, mes, brandstapel en martelwerktuigen. Tegen het einde van de 18e eeuw was de verhouding blanken tot slaven één op elf of twaalf, dat kon niet lang goed gaan.

De plantage-economie raakte in verval door vijandige aanvallen van de Marrons, slecht management door plantagedirecteuren die, ook al deden ze niets, toch hun loon kregen (klinkt bekend), en de handel die verschoof naar Azië.

De Surinaamse economie herleefde pas weer in de eerste helft van de 20e eeuw dankzij de Amerikaanse bauxietindustrie. Nu werd bauxiet het belangrijkste exportartikel van Suriname. Maar toen tegen het einde van de eeuw de prijs van aluinaarde dramatisch daalde, begon weer het verval. De economie was te afhankelijk van bauxiet.

Aan het begin van de 21e eeuw wordt de Surinaamse economie afhankelijk van de goudwinning door internationale bedrijven. Maar ondanks een (legale en illegale) productie van ongeveer 30.000 kilogram goud op jaarbasis, blijft Suriname arm.

Het onderwerp van dit stuk kan als volgt worden samengevat: (a) het verschil met de succesvolle plantage-economie, (b) de politiek die tekortschiet, waardoor een land met kolossale grondstoffen niet rijk kan worden, (c) de spanning in de bromki dyari.

Ad a) er was toen één dominante cultuur en goedkope slavenarbeid. Dat was zeer productief, maar ook moreel verwerpelijk.

Ad b) op het Onafhankelijkheidsplein, voor het gebouw met torentje en klok, staat het metershoge standbeeld van de slimme, zwaarlijvige held van vooral de donkergekleurde stadscreolen. Maar hij is ook de voorloper van populisme, machtswellust, verspilling, vriendjespolitiek en het groeiende ambtenarenapparaat. Het handje ophouden en om centen bedelen, maakte dat Nederland eerder los wilde van Suriname, dan omgekeerd, dat de onafhankelijkheid in 1975 meer een bevrijding was voor Nederland dan voor Suriname. Suriname moest zijn eigen broek ophouden, maar die zakte door de revolutie van 1980 snel omlaag. Binnen een paar jaar was Suriname financieel en moreel bankroet. Vanaf de jaren 90 vonden drugshandelaren en moordenaars hun plekje in de politiek en heerste er economische wisselvalligheid als gevolg van monetaire financiering en hyperinflatie.

Van 2010-2020 verkocht Suriname zichzelf aan buitenlandse schuldeisers. Er werden wurgcontracten getekend die niet verbroken kunnen worden. In 2020 was Suriname opnieuw bankroet en kon de overheid haar ambtenaren niet betalen. Het volk is ‘schuldig’ en moet lijden tot de schulden zijn vereffend om uit de katibo te komen. De vis-, goud-, hout- en duizend-en-een sectoren kunnen niet worden geordend, omdat het zelfverrijkingsmechanisme van een kliek met legaal of illegaal verworven rijkdom, dit zou tegenwerken. Hoe dan ook, het gevolg is meer armoede. Als geld verdampt in de drukkende hitte van Paramaribo, wijzen linkse politici met de beschuldigende vinger naar ‘kolonialisme’ en niet naar hun eigen domheid, egoïsme en dwaasheid.

Ad c) zonder kolonialisme zouden Surinamers niet eens hebben bestaan. Een gevolg van kolonialisme is wel dat verschillende soorten bij elkaar zijn geplant. Het is de wereld in het klein, met dezelfde etnische- en religieuze spanningen in het klein. De etnische verdeeldheid vertraagt de ontwikkeling.

De toekomst ziet er rooskleurig uit met offshore olie. Maar als de toekomst het verleden is, dan is vooruitgang een hersenschim, tenzij ‘W’o seti kondre bun!’ Onbaatzuchtige, eerlijke politici, sterke instituten die vrij zijn van corruptie en nepotisme, minder afhankelijkheid van één exportproduct en meer nadruk op landbouw en toerisme, heldere, efficiënte communicatie en een nieuwe mentaliteit dat hard werken geen slavernij is en geluk onlosmakelijk verbonden is met handelen. Misschien klinkt dit gruwelijk rationeel. Daarom een haiku als troost:

Ach, Suriname

je bent nog bedlegerig

herstel, loop gauw weer

D. Balraadjsing