Home Suriname Column: De dag waarop ik werd gearresteerd door… mijn oom

Column: De dag waarop ik werd gearresteerd door… mijn oom

65
0
column:-de-dag-waarop-ik-werd-gearresteerd-door…-mijn-oom

foto

Onderwijzer Hans Breeveld die op een terrein aan de Tourtonnelaan een groep AMS-ers zou toespreken. De groep werd uit elkaar gedreven door de politie. (DWT 22 januari 1969)


1969 was voor Suriname een roerig jaar. Onrust alom; het was vooral de onrust op de Surinaamse Kweekschool (SKS) die het meest mijn belangstelling had. Ik was al een paar maanden onderwijzer, maar als oud-voorzitter van de Kweekschool Vereniging (KSV) voelde ik mij verplicht poolshoogte te nemen aan de Coppenamestraat (nu Jagernath Lachmonstraat). De poorten waren op slot dus sprak ik de kweekscholieren vanaf de straat toe. De aanwezigheid van politieagenten kon niet voorkomen dat de leerlingen een poort forceerden en met fiets of bromfiets het schoolterrein verlieten. Onze eerste stop was de Algemene Middelbare School (AMS), waar de docenten ook in actie waren.

Door een spontaan geformeerde groep leidinggevenden werd besloten dat wij naar de minister van Onderwijs zouden fietsen om daar rekenschap te vragen. De minister was niet aanwezig dus koersten wij richting premier Jopie Pengel. De ministers zijn in vergadering werd ons daar gezegd.

Op mijn vraag waar we zouden kunnen vergaderen om een strategie af te spreken, stelde een van de fietsers voor dat te doen op een familieterrein aan de Tourtonnelaan allernaast Devnan Agencies. In colonne reed de ondertussen enorm toegenomen groep daarnaartoe. Mij werd gevraagd om de groep toe te spreken. Ik stond nauwelijks op een provisorische verhoging of ik werd door gearriveerde politieagenten gevraagd om met hen mee te komen. Lopend naar de VW-pro wagen zag ik dat de leiding van deze politieoperatie in handen was van (adjunct)-inspecteur Hesdie Breeveld, broer van mijn vader.  Het leek mij goed – dacht ik – hem om begrip te vragen, maar verder dan “Oom …” kwam ik niet.  “Opruier, agitator naar het bureau”, reageerde hij met haast “vuurspuwende ogen”.

Aangekomen op het hoofdbureau van politie aan de Waterkant werd ik geparkeerd in een werkruimte. Zowel in de pro wagen als op het politiebureau bleven mijn vragen over wat ik had misdaan en wat er verder zou gebeuren aan dovemansoren gericht. Straal negeren scheen het devies te zijn.

Het grote probleem was voor mij dat mijn vader en moeder met verlof in Nederland waren. Dé aangewezen persoon die voor mij als pleitbezorger zou moeten optreden was juist de persoon die mij gearresteerd had. Enkele uren later hoorde ik op de gang een bekende stem zeggen: … maar jullie hebben mijn nieuwslezer gearresteerd? Het was niemand minder dan André Kamperveen, toenmalige omroepleider bij Apintie, waar ik het programma Nyunsu in Sranantongo verzorgde, die zich persoonlijk op de hoogte kwam stellen. De opgeheven duim van Ampi bij zijn vertrek was niet onterecht, want kort daarna werd eindelijk Proces Verbaal opgemaakt. Na een ernstige berisping mocht ik rond 17.00 uur naar huis.

De volgende dag bleek dat de schade groter zou kunnen zijn dan ik vermoedde. Het schoolhoofd, Hugo Valstein, vroeg mij om voorzichtig te zijn. Een oververhitte inspecteur van Onderwijs had hem namelijk gebeld om additionele informatie over mij te bekomen i.v.m. met ontslag dat mij boven het hoofd hing. Ik was namelijk op die dinsdag niet op school maar op straat aan het rebelleren. Rustig als hij altijd was gaf de heer Valstein aan dat ik op de dinsdag vrij ben, omdat ik op de zaterdag lesgaf.

Ruim een week later bezochten mijn ouders kennissen in Amsterdam. Stomverbaasd reageerden zij toen de gastvrouw ze een de Ware Tijd overhandigde met de woorden Uw zoon staat in de krant. Mijn moeder trok snel haar conclusie: Nod, a boy no kan tan na ini Sranan. Diezelfde week nog werd ik ingeschreven op de Pedagogische Academie Jan van Nassau in Utrecht.

Later kwam het wel weer goed tussen mij en oom Hesdie. Zo goed zelfs dat hij mijn rijlessen betaald heeft voor het behalen van mijn autorijbewijs. Maar ook tijdens mijn studie in Nederland liet hij zich niet onbetuigd. Elke publicatie van de hoogleraren Coen Ooft en Frits Mitrasing of andere wetenschappers in Suriname stuurde hij – per luchtpost – voor mij.

Stilaan werd hij mijn favoriete oom. Het was een zeer gedisciplineerd man, zijn woord was zijn woord; pracht van een mens. Een oom waar je op kon rekenen. Tot zijn dood was ik elke zaterdagmorgen bij hem thuis. Hij kon heel mooi vertellen en vanwege zijn detachering naar verschillende districten had hij ook veel te vertellen. Hij stond bekend als een streng politieman. Trotst vertelde hij over zijn wederwaardigheden, zeker ook over arrestaties en bekeuringen waar hij bekend om was. Zonder onderscheid des persoons handhaafde hij. Zelfs de PG of AG werd eens door hem op de bon geslingerd vanwege een verkeersovertreding.

Waar hij nooit over sprak en ik niet over vroeg was waarom hij op die bewuste 21 januari in de Tourtonnelaan had opgetreden zoals hij opgetreden had. Maar hoe ouder ik werd hoe meer ik van deze oom ging houden. Ik ging steeds meer begrijpen dat hij mij op die dag niet slechts had gearresteerd, maar mij vooral een les voor het leven had geleerd. Reken op niemand, ook niet op kruiwagens, maar doe hard je best in het leven. Het gezin waar mijn oom en vader toe behoorden had het in hun jeugdjaren financieel heel moeilijk gehad; guyaba ten. Door hard werken en vooral zelfstudie hadden ze stuk voor stuk bereikt wat ze uiteindelijk bereikt hadden. Mijn oom nam daarom zichzelf, zijn werk maar vooral zijn land serieus.

Ik werd door hem gearresteerd, maar op termijn bleek de waarheid van de odo: Wan ogri kan tya wan bun.

Hans Breeveld