Home Suriname Column: Is Nederland toe aan een kiesdrempel?

Column: Is Nederland toe aan een kiesdrempel?

14
0
column:-is-nederland-toe-aan-een-kiesdrempel?

foto


Op 17 maart 2021 werden in Nederland Tweede Kamerverkiezingen gehouden. Er namen 37 partijen daaraan deel. 17 partijen verwierven tenminste 1 zetel.  Het viel daarbij op dat 3 partijen 1 zetel kregen en 4 partijen 3 zetels. De andere partijen kregen 5 zetels of meer.

Dat het land tot vandaag 15 september, dus ruim 6 maanden later nog geen nieuwe regering heeft kunnen vormen, heeft alles te maken met de politieke pluriformiteit van de Nederlandse politiek, maar meer nog met de toenemende polarisatie. Standpunten verharden zich. Partijen aan de linker- of rechterzijde of die het politieke centrum zoeken staan steeds meer op hun strepen; dit met het oog op kiezersbehoud en/of kiezerswinst. De twee voortrekkers in de huidige formatie Mark Rutte (VVD) en Sigrid Kaag (D66) vormen op deze regel geen uitzondering.  Hun wensen staan haaks op elkaar. Zo wil Sigrid Kaag een progressieve regering, met meer linksgeoriënteerde partijen in het volgende kabinet terwijl Mark Rutte het tegendeel nastreeft.

In 1977 beleefde Nederland de tot dan toe langste formatie. Op 25 mei waren er verkiezingen, maar pas op 19 december 1977 trad de nieuwe regering aan. Het verschil tussen toen en nu is dat toen de bevolking zich haast dagelijks afvroeg waarom het allemaal zo lang duurde. Het aantal dagen dat men bezig was met de formatie verscheen dagelijks in de media. Die formatie was zo uniek dat de fractievoorzitter van de PvdA, Ed van Thijn, er een boek over schreef: Dagboek van een onderhandelaar: 25 mei-11 november 1977. Dat uiteindelijk de grote winnaar van die verkiezingen – de PvdA o.l.v. Joop den Uyl – uiteindelijk in de oppositiebanken belandde en het CDA en de VVD de nieuwe regering vormden was ook spraakmakend.

Gedurende de tijd van de formaties heeft Nederland een demissionaire regering. Een regering die slechts lopende zaken mag afhandelen. Dat is dus nu weer het geval met het kabinet o.l.v. Mark Rutte. Het was daarom dan ook dat velen in Suriname zich afvroegen of president Santokhi niet op het verkeerde moment naar Nederland was vertrokken. Wat heeft een missionaire regeringsleider te bespreken met zijn demissionaire collega. Wat zijn de gemaakte afspraken waard. Wat hierbij over het hoofd wordt gezien, is dat Nederland niet alleen continuïteit van beleid kent maar ook sterke instituten heeft.

Het mag ons niet verbazen als de formaties in Nederland steeds langer zullen duren en als gevolg daarvan demissionaire regeringen verdergaande besluiten zullen nemen dan die als lopend kunnen worden gekwalificeerd. De simpele reden hiertoe is dat het beleid niet mag stagneren. Dat zal uiteindelijk het verschil tussen een demissionaire en een missionaire regering steeds kleiner maken. Uiteindelijk mag een regering besluiten nemen zolang het parlement zijn goedkeuring daaraan hecht.

Personen in Suriname die het parlementaire stelsel als zaligmakend propageren dienen rekening te houden met deze stagnaties in het bestuur. Moet Suriname kiezen voor het parlementair stelsel terwijl continuïteit van beleid meer uitzondering dan regel is, terwijl onze instituten – om het eufemistisch te zeggen – aardig wat versterking behoeven.

Het is echter de vraag of Nederland vanwege de verdergaande opdeling van politieke partijen niet moet gaan denken aan het instellen van een kiesdrempel waardoor je weer met grotere fracties te doen zal hebben.

Een kiesdrempel is het minimum aan zetels die een partij moet behalen om zitting te mogen nemen in een volk vertegenwoordigend lichaam. In Duitsland bijvoorbeeld moet een partij tenminste 5% van het aantal uitgebrachte stemmen hebben behaald om in de Bondsdag zitting te mogen nemen als volwaardige fractie. Indien van een partij 3 kandidaten direct gekozen zijn dan mag deze partij als Gruppe (groep) zitting nemen in het parlement. Deze groep heeft dan minder rechten dan een fractie. Om dit rechtstreeks kiezen van een kandidaat te begrijpen moeten we teruggaan naar het kiesstelsel dat vanaf 1963 ook in Suriname gold. Hierbij mocht men twee stemmen uitbrengen: Eén op een kandidaat van het district waar de kiezer in woonde en één op de partij (stemmen op het symbool van de partij).

Het heeft er veel van dat de formaties in Nederland steeds langer zullen gaan duren. Na al de maanden van formeren schijnt men thans niet verder te zullen komen dan het samenstellen van een minderheidskabinet. Het is geen overbodige luxe als wij in Suriname ook over de invoering van een kiesdrempel beginnen na te denken. 

Hans Breeveld