Home Suriname Gratie, rechter en Constitutioneel Hof

Gratie, rechter en Constitutioneel Hof

25
0
gratie,-rechter-en-constitutioneel-hof

foto


Zijn met de magistrale beslissing van het Constitutioneel Hof van 22 juli 2021 nu alle wegen die na een eventuele veroordeling in hoger beroep tot straffeloosheid voor de Decembermoorden zouden kunnen leiden definitief afgesloten? Of kan een eventuele gratieverlening nog roet in het eten gooien? Of wellicht een nieuwe wijziging van de Amnestiewet?

In een nieuwe bijdrage geven Mr. G. Spong (advocaat te Amsterdam) en Mr. T.G. van der Zwaag (verbonden aan de Spong Law Academy) antwoorden op deze vragen aan de hand van een juridische analyse van de gratiebevoegdheid.

Zij concluderen dat niet alle wegen die tot straffeloosheid zouden kunnen leiden zijn afgesloten. In beginsel kan gratieverlening daaraan in de weg staan, maar de ruimte daarvoor is beperkt. Gratie is namelijk geen ongenormeerd prerogatief. Ook de president moet bij de uitoefening van zijn grondwettelijke bevoegdheden, de grond- en mensenrechten naleven. En uit rechtspraak van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder de uitspraak van 30 mei 2018 over de gratie voor de voormalige Peruaanse president Fujimori, kan worden afgeleid dat in zaken waarin ernstige mensenrechtenschendingen aan de orde zijn geweest, gratie alleen in uitzonderlijke gevallen op humanitaire gronden toelaatbaar is. De rechten van nabestaanden, die volgens het hof ook de fase van de tenuitvoerlegging van de straf bestrijken, moeten daarbij aan de hand van een aantal factoren worden meegewogen. Bovendien moet op de gratiebeslissing rechterlijke controle mogelijk zijn.

Bij de beoordeling van een gratieverzoek inzake de Decembermoorden, doet zich daarnaast het bijzondere geval voor dat het Constitutioneel Hof heeft geoordeeld dat amnestie in strijd is met grond- en mensenrechten, waaronder de grondrechten van de artikelen 8 (gelijkheidsbeginsel) en 14 Gw (recht op leven). Nu gratie voor de tenuitvoerlegging van de straf exact hetzelfde gevolg zou hebben als amnestie, ligt de conclusie voor de hand dat ook gratie in strijd komt met deze grondrechten, mede omdat vanuit mensenrechtelijk perspectief het onderscheid tussen amnestie en gratie van beperkt belang is nu beide op één lijn worden gesteld bij de verplichting straffeloosheid voor ernstige mensenrechtenschendingen te voorkomen.

Uit het grondwettelijke systeem voor de handhaving van grondrechten volgt dat een gratieverlening zowel aan de rechter als het Constitutioneel Hof kan worden voorgelegd. Er zijn geen wettelijke bepalingen die zich daartegen verzetten, zodat de kans klein moet worden geacht dat de rechter of het Constitutioneel Hof zich onbevoegd achten.

In hun slotsom staan de auteurs stil bij de opmerkelijke overweging van het Constitutioneel Hof over het ‘dringend algemeen belang’ dat volgens het Hof strijd met grond- en mensenrechten zou kunnen rechtvaardigen (beslissing, p. 43-44), en een daarop gebaseerde oproep van oud-minister Assen tot het opnieuw aanpassen van de Amnestiewet op grond van de staatsveiligheid.

Deze overweging van het Hof is juridisch niet onderbouwd, zo stellen de auteurs, en lijkt niet zozeer voort te komen uit rechtsopvattingen als wel uit politieke overwegingen, om het harde oordeel van het Hof over de Amnestiewet een beetje te verzachten. Een soort doekje voor het bloeden. Het voorstel tot het opnieuw aanpassen van de Amnestiewet omwille van de staatsveiligheid stuit, tot slot, op de Grondwettelijke bepaling dat een wettelijke inperking van grondrechten om redenen van staatsveiligheid tijdelijk dient te zijn en amnestie nu juist permanent is.

Lees hier het volledige artikel.