Home Suriname Veiling Zorghotel

Veiling Zorghotel

35
0
veiling-zorghotel

foto


In SJB 2021 nr. 1 heeft mr.dr.C.A. Kraan een commentaar geschreven op het vonnis van het HvJ van 7-8-2019 inzake RCR ca Hakrinbank c.s.

RCR exploiteert onder de naam Zorghotel een medisch centrum.

RCR had een hypotheek afgesloten bij de Hakrinbank/NOB van € 5.500.000,=. Aangezien RCR niet aan zijn verplichtingen had voldaan, besloten de schuldeisers tot de verkoping ex. 1207 B.W.

RCR vorderde in kort geding stopzetting van de executie. De Kantonrechter schort de executie op. Dit leidt tot financiële afspraken die niet worden nagekomen, waarna de Kantonrechter op 30-1-2019 de vordering van RCR tot stopzetting afwijst.

De veiling vindt vervolgens plaats. Koper in de veiling is het AZP. Na de veiling vordert RCR doorhaling van de inschrijving van het proces-verbaal en een verbod voor de koper om beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten en RCR in het rustig genot te laten van de geveilde goederen, totdat in bodemgeschil zal zijn beslist.

Het AZP vordert van zijn kant dat RCR zal meewerken aan de overname. Bij vonnis van 18-4-2019 wijst de Kantonrechter de vorderingen van RCR af en de vordering van het AZP wordt toegewezen. Tegen deze uitspraak komt RCR in beroep.

Uitspraak Hof

De belangrijkste grieven van RCR zijn:

de Kantonrechter heeft de vraag of de banken in strijd met hun zorgplicht hebben gehandeld op ondeugdelijke wijze getoetst. De exploitatie van het Zorghotel werd getroffen door het gewijzigde beleid van Nederland om de vergoeding van de kosten van nazorg van patiënten buiten de E.U. te laten vervallen. De basis waarop het Zorghotel was opgebouwd, verviel.

Het Hof is van oordeel dat op de schuldeisers een onderzoeksplicht rust. De bijzondere zorgplicht van de bank brengt mee ook de kredietwaardigheid en aflossingsmogelijkheid van de cliënt dient te worden nagegaan. Bij de veiling is afgeweken van de veilingvoorwaarden doordat de notaris kort voor de veiling bekendgemaakt heeft dat er geen termijn van beraad is, dat direct zal worden toegewezen, danwel gegund aan de hoogste bieder en dat de koopsom direct contant danwel binnen een half uur middels een garantiestelling betaald moest worden. Volgens RCR is deze voorwaarde in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het Hof is van oordeel dat in het algemeen het wijzigen van de algemene voorwaarden niet in strijd is met enige wettelijke bepaling of bestendig gebruikelijk beding.

In casu waarbij o.a. de betalingscondities van de koopsom zijn aangepast is er wel strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dit, omdat niet uitgesloten is dat de schuldeisers hierdoor andere belangstellenden niet in de gelegenheid hebben gesteld voorzieningen te treffen teneinde een serieus bod te doen. Het Hof vermoedt dat vooraf afspraken zijn gemaakt met het AZP. Hierdoor hebben de schuldeisers misbruik gemaakt van hun executierecht.

Het AZP vindt dat hij als koper moet worden beschermd. Het Hof acht het aannemelijk dat de banken en het AZP hebben samengespannen met als doel dat het AZP de onroerende goederen tegen de bankschuld kon kopen. Het Hof komt tot de conclusie dat de banken hun zorgplicht jegens RCR hebben geschonden en tevens misbruik gemaakt hebben van hun executierecht, terwijl het AZP hiervan heeft geprofiteerd. Op grond hiervan acht het Hof het aannemelijk dat in een bodemprocedure de rechtsgeldigheid van de toewijzing zal worden vernietigd. Het Hof vernietigt het vonnis van de Kantonrechter. Tevens verbiedt het het AZP om beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten en beslist dat het AZP RCR in het genot van de goederen moet laten totdat in een bodemprocedure is beslist.  

In zijn noot merkt Kraan op dat het vaste jurisprudentie is dat de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht meebrengt. Die zorgplicht geldt zowel jegens cliënten van banken uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding als jegens derden met de belangen van wie de banken rekening behoren te houden. Kraan wijst erop dat in het concrete geval ten aanzien van de zorgplicht twee aspecten een rol spelen. Het eerste is dat het gaat om een eenvoudige geldlening. Het tweede dat RCR zelf ondernemer is met eigen deskundigheid.

Kraan zegt dat de zorgplicht van de banken niet zover kan gaan dat zij ieder risico in het belang van de ondernemer dienen te vermijden. In casu hebben de banken hun zorgplicht niet geschonden. Hij stelt dat alleen als duidelijk sprake zou zijn van een tijdelijke tegenslag, de schuldeiser gehouden is de financiering voort te zetten. Kraan vindt dat het in casu gaat om een doorgewinterde zakenman die de consequenties van zijn handelen kan overzien.

De gedachte bij een executoriale verkoop is dat door het in acht nemen van de voorschriften de hoogste opbrengst moet worden verkregen. De banken hadden geen belang bij een hogere opbrengst dan de hoogte van hun vorderingen, de schuldenaar wel. Ook is het aannemelijk dat hier sprake is geweest van overleg tussen de banken en het AZP met als doel eventuele andere biedingen te voorkomen.

Kraan concludeert dat schuldeisers gehandeld hebben in strijd met de wettelijke eisen o.a. dat de veiling moet geschieden met inachtneming van het plaatselijk gebruik, hetgeen leidt tot nietigheid van de veiling.  

Carlo Jadnanansing